Wat als je kindje niet kauwt?

Bismillah, as-salāmu ʿalaykum.
Wanneer een jong kind eten in de mond houdt, voedsel doorslikt zonder te kauwen of stukjes structureel weigert, wordt er vaak gedacht aan gedrag, een fase of sensorische gevoeligheid. Dat kan zeker meespelen. Tegelijk zie je in de praktijk dat er regelmatig ook een lichamelijke component aanwezig is die minder snel wordt herkend. De spijsvertering en de darmgezondheid kunnen namelijk invloed hebben op hoe een kind voedsel ervaart, verwerkt en accepteert.
Vanuit mijn voedingskundige blik als diëtiste met als expertise Picky eating en eetuitdagingen is het daarom waardevol om verder te kijken dan naar het kauwen alleen. Wanneer een kind niet kauwt is dat zelden één probleem.
Kauwen ontstaat uit een samenspel van lichamelijke rijping, mondgebruik, ervaringen en hoe het lichaam zich van binnen voelt.
De rol van de darmen wil ik hier vandaag gaan belichten, omdat verstoringen subtiel zijn, maar wel HEEL duidelijk kunnen doorwerken in eetgedrag.
Een verstoorde darmflora kan bijvoorbeeld de mondbeleving veranderen. De darm en de mond staan veel meer met elkaar in verbinding dan vaak wordt gedacht. Wanneer de darmflora uit balans is, bijvoorbeeld na antibioticagebruik, omdat jij niet goed hebt gegeten in je jeugd en dus zelf een afwijkende darmflora hebt (baby’s worden niet gezond geboren maar aan de hand van de gezondheid van de moeder. En laten we eerlijk zijn: met wat voor zijn wij opgegroeid? No wonder dat we onze baby’s geen goede basis geven), keizersnede, een eenzijdig eetpatroon of langdurige darmklachten, kan dat invloed hebben op smaak en gevoeligheid in de mond. Dit komt door de mondflora die afwijkend is. Sommige kinderen ervaren voeding dan sneller als te intens of onaangenaam. Stukjes voelen vreemd of onvoorspelbaar, waardoor ze liever slikken of vermijden. Je ziet dan vaak een voorkeur voor zachte, gladde structuren omdat die veilig voelen.
Ook een verminderde spijsvertering kan onbewust leiden tot vermijdingsgedrag. Kauwen is de eerste stap van de vertering. Als het lichaam moeite heeft met het verwerken van voedsel, kan eten zwaarder aanvoelen. Kinderen kunnen dat natuurlijk niet uitleggen, maar reageren soms instinctief door minder te kauwen of grotere stukken te vermijden. Signalen die daarbij kunnen passen zijn een opgeblazen buik, wisselende ontlasting of snel vol zitten.
Daarnaast kan prikkelbaarheid of irritatie in de darm invloed hebben op het zenuwstelsel. De darm staat continu in contact met het brein. Wanneer er onrust in de darm is, zie je soms dat kinderen gevoeliger zijn, sneller spanning ervaren rond eten of moeite hebben met de coördinatie van kauwen en slikken, zelfs zonder duidelijke buikklachten.
Tekorten aan voedingsstoffen spelen ook een rol. Kauwen vraagt om een goede samenwerking van spieren en zenuwen. Wanneer de opname van bepaalde mineralen of vetoplosbare vitamines niet optimaal verloopt, kan dat invloed hebben op spierspanning en coördinatie. Kinderen die weinig kauwen laten soms ook andere subtiele signalen zien, zoals snel moe zijn of een beperkt eetpatroon.
Tot slot zie je dat een lichaam dat langdurig onder druk staat minder ruimte heeft om nieuwe vaardigheden te ontwikkelen. Als het systeem continu bezig is met het verwerken van voeding die niet goed wordt verdragen, blijft een kind helaas vaak langer hangen in zacht of gemalen eten.
!!! Tegelijk is het belangrijk om niet alleen naar de darmen te kijken. Niet kunnen kauwen is meestal een probleem met meerdere lagen.
Je kunt het zien als drie gebieden die elkaar beïnvloeden.
De eerste is de biologische basis. Hieronder vallen neurologie, anatomie en motoriek. Denk aan kaakontwikkeling, spierspanning en de rijping van de mondmotoriek. Dit bepaalt in grote mate of een kind de fysieke mogelijkheid heeft om te kauwen.
De tweede is de functionele omgeving, zoals ademhaling, mondgebruik en hoe een kind prikkels in de mond verwerkt. Dit beïnvloedt hoe veilig en comfortabel eten voelt. Een groot gedeelte hiervan komt dus door voeding en darmen, ook al beseffen zich de meeste mensen dat niet.
De derde is de interne fysiologie, waaronder voedingstoestand, darmgezondheid, immuunsysteem en ontstekingsbelasting vallen.
Er zijn geen exacte percentages te geven, maar vaak zie je dat de biologische basis een groot aandeel heeft, gevolgd door de omgeving en daarnaast een duidelijke bijdrage van wat er intern speelt. Bij kinderen met allergieën, frequente infecties of darmklachten kan die interne belasting relatief groter zijn.
Wat je vaak ziet, is dat wanneer alleen de biologische kant wordt aangepakt, de capaciteit wel verbetert maar het gedrag achterblijft. Een kind kan technisch beter kauwen, maar blijft structuren vermijden, houdt eten lang in de mond of raakt snel overprikkeld. Het beeld is dan dat een kind het wel kan, maar het niet doet.
Daarom is het waardevol om breed te kijken. Darmgezondheid kan een belangrijke rol spelen en verdient aandacht, zonder dat het dus de enige factor is. Wanneer verschillende lagen worden meegenomen en waar nodig wordt samengewerkt met andere professionals, ontstaat er meestal meer rust in het lichaam en meer ruimte voor een kind om stap voor stap kauwen te ontwikkelen.
Wanneer er alleen wordt gekeken naar de biologische basis, zoals kaakstand of mondmotoriek, zonder aandacht voor sensorische factoren en wat er intern in het lichaam speelt, zie je vaak dat de vooruitgang beperkt blijft. De vaardigheid kan verbeteren, maar het eetgedrag volgt niet altijd vanzelf. Dat is echt een darmissue.